Hengelaarsvissen - Print Versie

Samenvatting van Engelse tekst

This page in English - Diese Seite in Deutsch - Esta página en español - Deze tekst in het Nederlands (met illustraties en foto’s) - Ce texte en français


Beschrijving

De familie van de hengelaarsvissen (Antennariidae = antenna- dragers) bevat 12 geslachten: (Allenichthys, Antennarius, Antennatus, Echinophryne, Histiophryne, Histrio, Kuiterichthys, Lophiocharon, Nudiantennarius, Phyllophryne, Rhycherus, Tathicarpus) met 48 (53?)beschreven soorten.

Hengelaarsvissen zijn relatief kleine vissen (maximal 50 cm: Fowlerichthys ocellatus). Er zijn ook enkele kleine soorten tussen 5 en 10 cm. Sommige soorten variëren van kleur, van zwart tot rood, oranje, geel, bruin, wit, purper, groen sommige zelfs met blauwe vlekken. Deze kleuren zorgen voor de camouflage in de omgeving van sponzen, koralen en algen.


Typische kenmerken en termen

Klein, gezet en afgerond lichaam (5-40cm). Losse, stekelige of wratachtige huid, ledemaatachtige borstvinnen met een elleboogachtig gewricht, kleine, ronde kieuwopeningen achter de vinnen (niet bedekt met platen), zeer grote omhoog gerichte mond. De borstvinnen zijn omgevormd en lijken op voetjes met kleine tenen.

De eerste rugstekel is omgevormd tot een beweeglijke hengel (illicium) met aan het uiteinde een vlezig op aas gelijkend aanhangsel (esca). De hengel varieert in lengte en is soms gestreept. De derde rugvin is sterk vergroot.


Esca en illicium

De vorm van het aas is één van de belangrijkste determinatiekenmerken die zelfs een leek kan aanwenden om de soort te bepalen. Het aas gelijkt vaak op een kleine prooi maar dat is niet altijd zo. Het aas van sommige soorten (A. striatus or A. hispidus) heeft de vorm van een wormpje, andere (A. commerson or Ph. scortea) gelijken op een kreeftje of een klein visje met oogvlek en aanhangsels als vinnen (A. maculatus). Bij het hengelen bootst de vis zelfs de beweging van het prooidiertje na (mimicry). Deze vorm van mimicry om een prooi te verschalken noemt men ook agressieve mimicry.


Tips bij het determineren van hengelaarsvissen

Hengelaarsvissen kunnen worden gedetermineerd d.m.v. de lengte van de hengel en de vorm van het aas, de huiduitsteeksels, het aantal stekels , het aantal vinstralen en de positie van de kieuwopening. Ook de aan- of afwezigheid van oogvlekken (ocelli) is belangrijk. De kleur is erg variabel en dus geen soortkenmerk. Sommige zeldzame kleuren kunnen toch een aanwijzing zijn bij de soortbepaling.

Let dus vooral op volgende kenmerken en neem best een foto.
1. Hengel langer /even lang/ korter dan de tweede rugstekel?
2. Kenmerken van de hengel en het aas?
3. Aanwezigheid van ocelli (oogvlekken) of andere opvallende kenmerken zoals wratten, strepen en kleur(en)?
4. Vindplaats? Habitat (zand, rif, zeegras, spons)? Geografische zone?


Camouflage

Camouflage is een manier om zintuigorganen zoals ogen, neus of tong te misleiden door niet op te vallen. Veel dieren gebruiken camouflage om zich te verbergen voor predatoren (beschermende camouflage). Hengelaarsvissen daarentegen imiteren vaak schuilplaatsen (stee , rotsblok, spons) of voedsel (algen) voor andere zeebewoners. Hierdoor worden deze aangetrokken en worden dan verorberd (agressieve camouflage).

De hengelaarsvis is een meester in de camouflag. Hij is vaak uitgerust met vlekken, strepen, wratten, huidplooien en filamenten. Eigenlijk imiteert hij substraten zoals met algen begroeide stukken koraal, steen of afval, planten zoals Sargassum zeewier of algen, dieren zoals zakpijpen , koralen en sponzen (mimicry). De gestreepte hengelaarsvis (A. striatus) bijvoorbeeld ziet er door zijn huidplooien en aanhangsels net uit als de algen waarin hij zich schuilhoudt. Andere soorten lijken op sponzen inclusief de openingen die zij imiteren met vlekken op het lichaam. Een pas ontdekte soort (Histiophryne psychedelica) heeft strepen over heel het lichaam die doen denken aan patronen bij steenkoralen en mosdiertjes.


Veranderen van kleur

Lange tijd hebben wetenschappers verschillend gekleurde hengelaarsvissen beschouwd als verschillende soorten. Moderne ichthyologen (visgeleerden) onderscheiden nu 12 geslachten en 48 (53?) nog levende soorten wereldwijd. Kleuren zijn – op enkele uitzonderingen na – geen grote hulp bij de determinatie van hengelaarsvissen. Door hun camouflage en mimicry zijn deze vissen moeilijk te vinden en bovendien moeilijk te determineren door hun kleurvariëteit. Specimen van dezelfde soort kunnen er volledig verschillend uitzien. Om het nog ingewikkelder te maken kunnen ze van kleur veranderen in enkele dagen of weken. Zij kunnen ook objecten uit hun onmiddellijke omgeving gaan imiteren zoals sponzen, rotsblokken, koralen en zakpijpen. Als ze zich verplaatsen naar donkerder regionen zullen ze zich aanpassen en er donkerder gaan uitzien. Men vindt vaak zwarte hengelaarsvissen op zwarte sponzen of vlak bij zwarte zakpijpen en gele vissen in gele sponzen en de patronen op hun huid lijken vaak op de openingen van sponzen (ostia) of zakpijpen. Deze agressieve vorm van mimicry en het voedingsgedrag van hengelaarsvissen is één van de meest geëvolueerde vormen in de natuur van "op wacht liggend" predatie.

In een aquarium kan men observeren hoe hengelaarsvissen hun kleur aanpassen aan de omgeving en “onzichtbaar” worden in de nabijheid van koraal of sponzen. S. Michael heeft beschreven hoe een zwart exemplaar met oranje vlekken in een maand tijd eerst bruin en dan geel werd met zwarte vlekken.

Sommige soorten echter zoals van het geslacht Antennatus veranderen nooit echt van kleur al kunnen ze wel wat bleker of donkerder worden.


Voortbeweging

Hengelaarsvissen zie je zelden zwemmen en de meeste hebben geen zwemblaas behalve de Sargassum hengelaarsvis Histrio histrio , Allenichthys glauerti, Kuiterichthys furcipilis en Phyllophryne scortea). Ze kunnen wel zeer snel bewegen door grote hoeveelheden water op te zuigen langs de mond en snel uit te persen langs de kleine kieuwopeningen. Dit resulteert in een turbo-achtige voorwaartse beweging enkele centimeters boven de grond. De pas ontdekte Histiophryne psychedelica maakt een aantal korte sprongetjes waarbij hij zich afstoot van de bodem met zijn voetjesachtige borstvinnen.

Om korte afstanden af te leggen kan de hengelaarsvis gewoon wandelen of galloperen. Interessant is het feit dat de volgorde van borstvinnen en buikvinnen is omgekeerd. De krachtige achterste voetjes zijn eigenlijk zijn borstvinnen! Meestal zitten deze vissen bewegingsloos op sponzen maar de harige hengelaarsvis (Antennarius striatus) loopt graag rond. Om prooien aan te trekken beweegt hij zijn hengel en aas voor het hoofd terwijl hij zich verplaatst.


Aggressieve mimicry

Het merkwaardigste aan de hengelaarsvis is , behalve de gesofisticeerde camouflage, de manier waarop hij zijn prooien aantrekt. Andere statische vissen liggen op wacht tot de prooi tot in de buurt van de mond komt aangezwommen maar de hengelaarsvis hengelt actief naar de prooi (vis, garnaal) to hij kan toeslaan. Het uiteinde van de hengel bootst vaak voedsel na zoals wormpjes, garnaaltjes of kleine visjes. De prooivis nadert om het”aas” te pakken en wordt dan opgezwolgen door de geduldige hengelaar. Deze tactiek noemt men agressieve mimicry.

Natuurlijk worden niet alle prooien door de hengel aangetrokken. Een meer passieve manier van doen steunt op de uitstekende camouflage. Veel diertjes zien in de hengelaarsvis een spons, komen voor beschutting en verdwijnen dan in zijn gulzige bek. Ik heb vaak zelf gezien hoe kleine visjes over de hengelaarsvis verscholen in een spons , heen zwommen zonder het gevaar te zien te kunnen worden opgegeten.

Zoals gezegd lijken sommige soorten op met algen begroeide stukken koraal. In koraalriffen zijn er vaak weinig algen aanwezig voor herbivore vissen. Deze zullen dan de hengelaarsvis benaderen om zich te voeden maar worden zelf opgegeten Hierdoor kunnen er nog meer algen groeien rond de vis (alle herbivoren worden opgegeten) en worden er nog meer prooien aangetrokken naar deze plek.

Sommige hengelaarsvissen bewegen actief naar hun prooi. Ik heb eens gezien hoe een gestreepte hengelaarsvis (Antennarius striatus) naar een kleine pladijs toe sloop om dichtbij genoeg te komen voor een verrassingsaanval. De geschikte afstand voor een aanval is ongeveer de lichaamslengte van de predator.


Hengelen naar prooi

Hengelaarsvissen eten vooral visjes en kreeftachtigen (garnaaltjes en krabbetjes). Ze kunnen prooien inslikken die tweemaal zo groot zijn als zijzelf. Hengeltechnieken variëren naargelang de omgeving waarin de vis leeft. Een hengelaarsvis (bijvoorbeeld A. striatus) die meestal op het zand leeft heeft vaak een hengel met aas dat dicht bij de bodem komt , zodat het aas vlakbij openingen of holen in het zand wordt gehouden of bodemvissen zoals platvissen kan aantrekken. Een hengelaarsvis die bovenop sponzen of op het koraal verblijft (bijvoorbeeld A. commerson) zal vaker boven zijn hoofd hengelen en heeft een langere hengel. Een hengelaarsvis die verborgen leeft in spleten (bv. Antennatus nummifer ) is vaak klein en heeft een korte hengel met aas, gelijkend op een wit balletje dat net voor of boven zijn hoofd wordt “uitgeworpen”.

Elke soort hengelaarsvis beweegt zijn hengel en aas op zijn eigen wijze om prooi aan te trekken. Bijvoorbeeld beweegt de wratten hengelaarsvis (Antennarius maculatus) zijn aas in golvende lijnen of boven het hoofd of recht voor de mond dichtbij de bodem. De reuze hengelaarsvis (Antennarius commerson) maakt op- en neergaande bewegingen in schokjes. Een studie gewijd aan hengeltechnieken door S. Michael toonde aan dat de hengelaarsvis zijn technieken kan variëren. Een rugvlek hengelaarsvis (Antennatus nummifer) die hij observeerde gebruikte drie verschillende technieken – hengel opheffen en vibreren met het aas, het aas onbeweeglijk voor de mond houden en het aas snel naar voor en achter bewegen.

Hengelaarsvissen hengelen zelfs ‘s nachts. Ofschoon hun apparaat dan niet zichtbaar is kan een mogelijke prooi de trillingen waarnemen en op die manier aangetrokken worden.

Hengelaarsvissen gebruiken ook een chemisch lokmiddel. Dit is belangrijk voor hengelaarsvissen die ‘s nachts voedsel zoeken zoals de harige hengelaarsvis (A. striatus). Deze soort vergroot zijn aas zo’n 35% bij actief hengelen.

Kleine hengelaarsvissen verkiezen vaak ondiepe wateren en leven verscholen in spleten tussen koraal en tussen afval. Op die manier voorkomen ze te worden opgegeten door groteren vissen. Ze maken ook minder gebruik van hun hengel dan grotere exemplaren om prooi aan te trekken. Verschillende kleine soorten hebben ook kleine hengels (zoals A. coccineus) of bijna niet waar te nemen hengels (zoals A. tuberosus). (Zie foto’s)

Omdat het aas gebruikt wordt als lokmiddel wordt het vaak beschadigd of afgebeten door de aangetrokken prooi of door predatoren. Daarvoor hebben sommige soorten (A. pauciradiatus or A. randalli) zakvormige openingen gevormd door een membraan tussen de tweede en derde rugstekel om het aas te beschermen. Hengel en aas kunnen regenereren maar ondertussen moet de vis tijdelijk vasten. Het kan 4 tot 6 maanden duren voor het hele apparaat terug is hersteld.

Soms wordt een hengelaarsvis zelf gepredateerd. Zoals op foto’s zichtbaar is blaast de prooi zich op door water op te zuigen zodat de predator (hier een hagedisvis) moeite heeft om zijn prooi in te slikken. Fotograaf Stephane Bailliez schreef: Ik bleef de hagedisvis 30 min observeren terwijl hij de prooi probeerde binnen te krijgen. Soms probeerde hij te lossen en op een andere manier de opgeblazen hengelaarsvis door te slikken. Tevergeefs.

Er is ook een groep hengelaarsvissen die geen of slechts een zeer kleine hengel bezitten. De pas ontdekte (2008) hengelaarsvis Histiophryne psychedelica (Ambon hengelaarsvis) schijnt de opening van holen of spleten af te sluiten en zo de prooi binnenin te bemachtigen. Het zou interessant zijn om te onderzoeken of de bijna hengelloze soorten zoals Histiophryne bougainvilli of Histiophryne cryptacanthus dezelfde manier van werken toepassen.

Hengelaarsvissen hebben ook een kleine witte huidflap juist boven de mond. Ik heb deze flap bij verschillende soorten hengelaarsvissen waargenomen , niet altijd even opvallend , maar meestal wit gekleurd. Ik heb hierover niets in de literatuur teruggevonden maar vermoed dat het een bijkomend lokmiddel is om kleine prooien aan te trekken!

Diepzee hengelaarsvissen hebben zelfs een oplichtende hengel (bioluminescentie geproduceerd door symbiotische bacteriën), versierd met filamenten of aanhangsels die ook lichtgevend zijn. Deze soorten hebben een ontzaglijke muil en vlijmscherpe tanden. De hengel kan 4 tot 5 maal de lengte van de vis bedragen en soorten van de familie Linophrynidae hebben zelfs tastdraden op de kin die ook licht kunnen opwekken en gelijken op een hangend mandje.


Gaap en zuig

Bij voedselopname vergroten de hengelaarsvissen hun mondholte. Zij verzwelgen hun prooi door een reflex waarbij een onderdruk ontstaat in de mondholte die 12 maal groter wordt. Dit is de snelste “gaap en zuig “ – beweging van alle vissoorten. Het duurt slechts 6 milliseconden. Dit is sneller dan bij de schorpioenvis of bij de steenvis (15 milliseconden)


Zo kunnen ze een visje uit een school wegplukken zonder dat de andere vissen dat gemerkt hebben. Een hengelaarsvis kan gemakkelijk een prooi verzwelgen die groter is dan hijzelf. Hij heeft geen tanden en de prooi wordt in haar geheel opgeslokt.

Soms zie je hengelaarsvissen die hun muil openen en als het ware geeuwen. Slechts bij 2 gelegenheden heb ik een prooi zien vangen. Het gebeurde zo snel dat het ene moment er een garnaaltje voor de muil aanwezig was en het andere moment het al was verdwenen en de hengelaarsvissen een slikbeweging maakte. Geen wonder dat ze onzichtbaar visjes uit een school kunnen late verdwijnen!


Paringsgedrag

Men kan mannelijke en vrouwelijke hengelaarsvis niet van elkaar onderscheiden door bijvoorbeeld kleur of grootte. Enkel na dissectie kan men de geslachten herkennen aan de geslachtsdelen (gonaden).

De volgende foto’s tonen het paringsgedrag en het uitscheiden van de geslachtscellen van verschillende soorten hengelaarsvissen. Ongeveer 8 a 12 uur voor de eierleg begint het vrouwtje met de productie van 40.000 tot 180.000 eitjes. Deze zijn zo’n 0,5 mm groot. Dit gebeurt erg snel zodat net voor de lozing zij zo opgezwollen is dat zij nog moeilijk in evenwicht op de bodem kan blijven. Zij begint te drijven met de start naar omhoog en wordt van dichtbij gevolgd door het mannetje. Het mannetje port het vrouwtje in de buik en dan bewegen ze snel naar het oppervlak waar ei- en zaadlozing plaatsvinden. Dit gebeurt verschillende keren in een paar weken.

Het ouderschap eindigt met de paring. De duizenden eitjes worden geloosd ingekapseld in een lintvormige drijvende massa slijm, die dagenlang rondzwalpt en zich over grote afstanden verplaatst en tenslotte naar de bodem zinkt nadat de eitjes zijn uitgekomen. Het plankton – stadium van de vislarfjes duurt waarschijnlijk 1 tot 2 maanden. Zelfs larfjes van 0,5 tot 1 cm hebben al een hengel. Ze hebben ook een dikke kop. Juveniele hengelaarsvissen lijken op de volwassen vissen maar hebben speciale defensieve kleuren (zie Baby hengelaarsvissen)


Broedzorg

Enkele soorten (meestal uit Australie) vertonen broedzorg voor de bevruchte eitjes. Bijvoorbeeld Lophiocharon trisignatus heeft minder maar grotere eitjes dan de meeste soorten. Het vrouwelijke verbindt een eipakketje met een soort draad aan het lichaamsoppervlak en draagt het mee tot de larfjes uitgebroed zijn. Een van de ouders van de soort Phyllophryne scortea bewaakt de eitjes. Mogelijke predatoren die de eitjes/embryo’s naderen worden door de zorgzame ouder opgegeten! Histiophryne cryptacanthus en H. bougainvilli verbergen het eipakketje in een zak gevormd door de borstvin en de staart die omgebogen is.

Verschillende hofmakende mannetjes van Rhycherus filamentosus verzamelen rond het eierdragende wijfje. De wijfjes leggen zowat 5000 eitjes in één grote massa. Deze massa bestaat uit talloze draden met 1 eitje verbonden aan een schijfje gel van 3 cm in diameter. De schijf wordt eerst gelegd en dan de eierdraden elk op een dubbel kleverig filamen. Als het mannetje zijn zaadcellen loost , waaiert het vrouwtje over de eitjes met de staartvin om ze te verspreiden achteraan in een holte. Gedurende dit proces wordt het mannetje weggejaagd. Kleverige draden hechten zich vast aan de naburige vegetatie en stenen. Het wijfje bedekt dan de eitjes volledig met haar lichaam en bewaakt ze. De jongen verlaten het ei na ongeveer 30 dagen en zoeken onderkomen in spleten op de bodem (persoonlijke observatie van Rudie H. Kuiter).

De eitjes van Tetrabrachium ocellatum (vier-armige hengelaarsvis) zijn gewikkeld rond de rugvinnen die voorzien zijn van haakjes. Vermits vele vissen graag eitjes eten kan dit helpen bij het aantrekken van mogelijke prooien voor de hengelaarsvis.

Het is waarschijnlijk heel moeilijk om een partner te vinden in de diepzee. Om dit probleem op te lossen vertonen veel diepzeehengelaars (Families Ceratiidae, Caulophrynidae, Photocorynidae, Linophrynidae en Melanocetidae) een zeer eigenaardig sexueel dimorfisme. Het mannetje is zeer klein en hecht zich aan het lichaam van het vrouwtje. Tanden en kaak degenereren en de bloedsomloop van de twee dieren wordt verbonden. Het mannetje blijft dus de rest van het leven verbonden met het vrouwtje waarop het parasiteert.


Baby hengelaarsvissen

De juveniele clown hengelaarsvis (Antennarius maculatus) en de juveniele reuze hengelaarsvis (Antennarius commerson) schijnen een slechtsmakende platworm te imiteren, compleet met golvende rugvin om de zwemmende worm na te bootsen. Er zijn mogelijk ook slecht smakende naaktslakken om op te gelijken (mimicry). Andere soorten (Antennarius hispidus, Antennarius striatus) zijn zeer goed gecamoufleerd en lijken op met algen begroeide rotsjes of op slakken. Hengelaarsvissen zijn niet giftig maar blazen zich op met water zodat ze niet kunnen verorberd worden door hun afmeting.

Ik heb eens gezien dat een juveniele clown hengelaarsvis aan het hengelen was door te bewegen met zijn tweede rugvin inplaats van met de hengel. Andere juveniele hengelaarsvissen lijken frequenter te hengelen dan de adulten. Ik denk dat dit komt doordat ze te klein zijn om voor een spons of rots versleten te worden door hun prooi en zo meer aangewezen zijn op hengelen. Hun hengel is ook relatief groter ten opzichte van de lichaamslengte en met een vergrootglas of een macro-lens kan je de hengel vrij goed zien.

Vooral de grotere soorten kunnen hun jachtstrategie veranderen terwijl ze groeien. Jonge exemplaren verstoppen zich vaak zoals de kleinere soorten. Als ze volwassen zijn blijven de grotere soorten (Antennarius commerson, Antennarius multiocellatus) op dezelfde plaats gedurende een langere periode vaak op onbeschutte plaatsen in het koraalrif of op sponzen, zodat je ze gedurende meerdere duiken op dezelfde plaats of in dezelfde omgeving kan aantreffen.


Uit het Engels vertaald door Eddy Thys


. Copyright Teresa Zubi. Wilt U mij schrijven in het Engels of Duits a.u.b. want ik versta geen Nederlands!